Jerusalem - Yad Vashem

Toespraak van Paus Johannes Paulus II, donderdag 23 maart 2000

De woorden van de oude Psalm rijst op in ons hart:

"Ik ben geworden een stuk afgedankt huisraad.
Ik merk het gemompel der mensen:
er hangt iets dreigends rondom,
een samenspannen dat mij geldt:
zij beramen een aanslag op mij.
Doch ik blijf, Heer, op vertrouwen,
Ik zeg mijzelf: Gij zijt mijn God."

(Ps 31, 13-15)

1. Op deze plaats met herinneringen, voelen het verstand en het hart een extreme behoefte aan stilte. Stilte om in te gedenken. Stilte om te proberen zin te geven aan de herinneringen die steeds terugkomen. Stilte omdat er geen woorden sterk genoeg zijn om uitdrukking te geven aan de verschrikkelijke tragedie van de Shoah. Mijn persoonlijke herinneringen betreffen alles wat er gebeurde toen de Nazis Polen bezette gedurende de oorlog. Ik herinner mij joodse vrienden en buren, enkelen van hen zijn omgekomen, terwijl anderen overleefden.

Bron: CNN.com

Ik ben naar Yad Vashem gekomen om hulde te brengen aan de miljoenen joodse mensen die, van alles ontheven, met name van hun menselijke waardigheid, werden vermoord in de Holocaust. Meer dan een halve eeuw is verstreken, maar de herinneringen blijven.

Hier, evenals in Auschwitz en vele andere plaatsen in Europa, worden we bevangen door de echo van de hartverscheurende weeklachten van zo vele mensen. Mannen, vrouwen en kinderen schreeuwen naar ons vanuit het diepst van hun verschrikkingen die ze meegemaakt hebben. Hoe kunnen we het nalaten om hun roep in acht te nemen? Niemand kan vergeten of negeren wat gebeurd is. Niemand kan het gewicht ervan verminderen .

2. We wensen te herinneren. Maar we wensen om te herinneren vanwege een doel, namelijk te verzekeren dat het slechte nooit meer zal zegevieren, zoals het deed voor de miljoenen slachtoffers van het nazisme.

Hoe kon men zon volslagen minachting voor de mens hebben? Omdat hij het punt van verachting voor God bereikt had. Slechts een goddeloze ideologie kon de uitroeiing van een heel volk beramen en uitvoeren.

De eer gegeven aan de "rechtvaardige niet-Joden" door de staat Isral in Yad Vashem, omdat zij heldhaftig gehandeld hebben om Joden te redden, soms zelfs ten koste van hun eigen leven, is een erkenning dat zelfs in het donkerste uur niet alle licht gedoofd is. Dat is waarom de Psalmen, en de gehele Bijbel, hoewel zich bewust zijnde van het menselijke vermogen tot het slechte, toch verkondigt dat het slechte niet het laatste woord zal hebben. In de diepte van pijn en verdriet, roept het gelovige hart uit: "Doch ik blijf, Heer, op vertrouwen, Ik zeg mijzelf: Gij zijt mijn God."(Ps 31,14).

3. Joden en Christenen delen een enorme geestelijke erfgoed, voortvloeiend uit Gods eigen openbaring. Onze religieuze leer en geestelijke ervaring verlangt van ons dat we het slechte met het goede overwinnen. We gedenken, maar niet met enig verlangen tot wraak of als een aansporing tot haat. Voor ons is gedenken een gebed voor vrede en rechtvaardigheid en ons te verbinden met hun zaak. Slechts een wereld in vrede, met gerechtigheid voor allen, kan herhaling van de fouten en de verschrikkelijke misdaden van het verleden voorkomen.

Als Bisschop van Rome en als opvolger van de Apostel Petrus, verzeker ik het joodse volk dat de Katholieke Kerk, gedreven door de Evangelische wet van waarheid en liefde en zonder politieke overwegingen, diep bedroefd is door de haat, vervolgingen en vertoningen van antisemitisme gericht tegen de Joden door Christenen waar en wanneer dan ook. De Kerk verwerpt racisme in elke vorm als een ontkenning van het beeld van Christus inherent aan elk menselijk wezen (Gen. 1,26).

4. Op deze plaats van plechtig gedenken, bid ik fervent dat ons verdriet om de tragedie waaraan het joodse volk heeft geleden in de twintigste eeuw, zal leiden tot een nieuwe relatie tussen de Christenen en de Joden. Laat ons bouwen aan een nieuwe toekomst waarin er geen anti-joodse gevoelens onder de Christenen en geen anti-christelijke gevoelens onder de Joden zijn, maar eerder het wederzijdse respect verlangd door hen die de Enige Schepper en Heer aanbidden, en kijken naar Abraham als onze gemeenschappelijke vader in geloof.

De wereld moet opmerkzaam zijn voor de waarschuwing dat naar ons komt in de slachtoffers van de Holocaust en in de getuigenis van de overlevenden. Hier in Yad Vashem blijft de herinnering levend en brandt het in onze zielen. Het laat ons uitroepen:

"Ik ben geworden een stuk afgedankt huisraad.
Ik merk het gemompel der mensen:
er hangt iets dreigends rondom,
een samenspannen dat mij geldt:
zij beramen een aanslag op mij.
Doch ik blijf, Heer, op vertrouwen,
Ik zeg mijzelf: Gij zijt mijn God."

(Ps 31, 13-15)

Bron: Franciscan Custody Holy Land
Vertaling: 2000, Parochie Heilig Hart van Jezus, Eindhoven

Terug naar Pausreis Heilig Land